|
‘Leren voor het leven’ is het motto van OPOCK waaronder obs
Kortland valt. Ten tijde van de fusie van het Openbaar Primair Onderwijs
Capelle en dat van Krimpen heb ik dat motto mogen aandragen. Het is ontleend
aan de spottende uitspraak ‘zij leren daar voor de school en niet voor het
leven’ die de Romeinse filosoof en pedagoog Seneca deed toen hij langs een
school liep.
De persoon Seneca, maar m.n. deze uitspraak van hem, waar ik
kennis mee maakte tijdens mijn MO studie Pedagogiek in de jaren 80, zijn mij
altijd blijven intrigeren. Enerzijds kijkend naar de onderwijskundige taak van
de school in deze tijd, anderzijds naar de rol van de ouders als opvoeder.
Persoonlijk ben ik in beide inmiddels decennialang ervaringsdeskundige.
Als jonge, beginnende leerkracht stapte ik in de loop van
schooljaar 1971-1972 in een onwijs drukke klas 3, nu groep 5. Ik nam deze klas over van een leerkracht die er overspannen van was geworden, nadat haar voorganger dat lot eveneens beschoren was. Kortom ik was nummer drie die dat schooljaar volstrekt
onvoorbereid en niet begeleid voor de ‘leeuwen’ werd gegooid. Gretig stortte ik
mij op deze uitdagende taak -je wilde tenslotte aan de bak- en de kinderen
stortten zich op mij in een poging nummer drie onderuit te halen. Waardoor dat
niet is gelukt, heeft niet aan de begeleiding gelegen, die had ik niet; een
coach moest nog uitgevonden worden. Ook niet aan het feit dat ik op dat moment
zo’n geweldige onderwijzer was; ik was een beginnend broekie. Wat dan wel? Terugblikkend
denk ik dat de situatie op school en de relatie die ik van meet af opbouwde met
mijn leerlingen en hun ouders daartoe hebben bijgedragen. Wat betreft de
situatie kan ik mij nog herinneren dat dhr. Heystek, het toenmalige
schoolhoofd, de gemeentelijk onderwijsinspecteur de deur wees toen deze de
misplaatste opmerking ‘die leert het nooit’ maakte over mijn optreden op het
schoolplein, waar ik enkele leerlingen aansprak op hun gedrag. Ten aanzien van
de relatie met mijn leerlingen kan ik mij herinneren dat ik met de klas ‘de
acht die van je wordt verwacht’ heb opgesteld en daar elke ochtend en middag
mee begon en eindigde. Kinderen die moeite hadden zich te gedragen conform deze
gedragsregels, mochten nablijven, de regels uitschrijven en uit het hoofd leren.
Alvorens zij naar huis gingen, mochten zij eerst een gedragsverbeterend gesprek
met mij aangaan en vervolgens kregen zij een briefje mee naar huis –telefoneren
was het privilege van het schoolhoofd- waarin ik de ouders uitnodigde voor een
gesprek over het wangedrag van hun zoon of dochter. Geen van die ouders heeft
mij ooit teleurgesteld door niet te komen. Wel liep het gesprek af en toe
moeizaam, want ook toen was het lastig te erkennen dat jouw kind zich ook wel
eens kon misdragen. Maar altijd kwamen we er uit en na verloop van tijd keerde
het tij, hoefde ik minder op mijn poot te spelen en kwam er rust en dus meer
tijd vrij voor onderwijs. Uiteraard had dit een positief effect op de kwaliteit
van de instructie, de verwerking én de resultaten die bij mijn komst bedroevend
waren; de klas had minstens een half jaar in te halen.
Terugblikkend was de rol van die ouders cruciaal. Middels
een brief had ik ze op de hoogte gesteld
van ‘de acht die van je wordt verwacht’ , hoe ik daar dacht mee om te gaan én
wat ik van de ouders verwachtte. Zij van hun kant respecteerden mij, pakten hun
opvoedende rol op, wezen hun kinderen op de regels en spraken ze daar zo nodig
op aan. Voor mij als beginnend onderwijzer heel fijn zulke coöperatieve ouders
te treffen, want alleen, zonder hun steun, de verziekte sfeer in die klas om te
buigen zou mij nooit zijn gelukt. En natuurlijk gebeurde er nog wel eens het
een en ander, mijn klas 3 waren geen doetjes. Wat hen niet lukte was mij
eronder te krijgen (mijn les voor het leven!), wat uiteindelijk wel lukte was
dat plezier in naar school gaan , lol in leren voor klas 3 terugkeerde.
Terug naar Seneca,
vanwaar startte ik deze column met hem? Enerzijds omdat hij de rol van opvoeder
en leraar combineerde. Een taak waar je als leerkracht ook nu voor staat, maar
die je nooit in je eentje waar kunt maken. Het zwaartepunt van die opvoeding
–en ik spreek nu als vader- zal altijd bij de ouders blijven liggen; de school
kan alleen bijsturen. Anderzijds de inhoud van de lesstof. Willen wij onze
leerlingen echt voorbereiden op de maatschappij van morgen, dan zal de school
zich voortdurend moeten afvragen of hetgeen wij aanbieden ‘leren voor de
school, dan wel voor het leven is?’
Graag sluit ik af met de hoop uit te spreken dat in groepen
waar zich nu situaties voordoen vergelijkbaar met mijn eerste ervaring in het
onderwijs op soortgelijke wijze in harmonieuze samenspraak met de kinderen en
hun ouders zich mogen oplossen.
Jan Torn
|